De volgende artikelen van mijn hand zijn/worden in het tijdschrift Spiegelbeeld (http://www.spiegelbeeld.nl/) gepubliceerd:
Usophia: april 2010
Het Zijn als losscheurend ijs: juni 2010
Als de lucht betrekt: september 2010
Het leven een strijd (1): november 2010
Uitgifte van mijn nieuwe boeken

Op 10 september 2010 heeft Uitgeverij Boekscout.nl mijn boek "De zinloosheid van vrijheid" op de markt gebracht. Het is te bestellen bij Boekscout.nl of bij de erkende boekhandel. ISBN: 978-94-6089-816-7.
Inleiding:
Een familie in Zuid-Frankrijk wordt direct en indirect geconfronteerd met de zinloosheid van vrijheid. Zelfs hun zielen vinden na de aardse dood geen rust en blijken een speelbal in de strijd tussen de duivel en God, die het menigmaal op een akkoordje gooien tijdens hun onderhandelingen over zielenruil! De basis van dit verhaal ligt in het klassieke Griekenland, waar in 442 v.Chr. Sophokles de tragedie Antigone schreef. Deze mythe verhaalde over een jonge vrouw, die door haar oom levend in een grot ingemetseld werd; een lot dat de tienjarige Ismène ... Nee!, laten wij nu niet te veel op het verhaal vooruit lopen: het is zo dramatisch, zo tragisch, dat de auteur een moment in stilzwijgen wenst te verkeren. Hij nodigt u uit het verhaal vanaf het begin op te pakken, maar waarschuwt: het zal u meeslepen in een duisternis, waarin u slechts één persoon zult ontmoeten: uzelf!
Een stukje uit het boek:
Op haar knieën kroop het wanhopige meisje over de koude en smerige vloer."God, help mij. Alstublieft!"God hielp haar niet. Toch leek het alsof de sleutel haar toegeschoven werd. Zij zag niet hoe de duivel grijnsde en weer stilletjes in een hoek van de gang ging staan. Ismène dankte God en raapte de sleutel op. Haar hand beefde, met de andere hand zocht zij het slot van de laatste deur. Moeizaam stak zij de sleutel in het slot. Haar hart sprong op: hij paste! Langzaam draaide Ismène de sleutel om. Met een luide klik, veel te luid naar haar zin, opende het slot zich. Aandachtig luisterde zij naar geluiden. Het bleef stil. Zacht drukte ze de klink naar beneden. De deur opende zich op een kier. Ismène twijfelde."Wat tref ik aan? Misschien niets en was het niet meer dan een wanhopige idee. Maar wat, als...? Als hij daar nu wel is? Leeft hij nog en wat moet ik doen? Wat kán ik doen? Ik ben zo klein nog, en zwak. God, sta me bij."De duivel wreef zich in de handen en moest zich inhouden zijn ogen niet rood te laten gloeien."Ga door", fluisterde hij onhoorbaar, "Ga door, arm kind, open de deur, ga naar binnen, en huiver. Ach, klein, week hartje, wat jij zoal te verduren hebt gehad is niets, een kleinigheid, bij wat je elk moment te wachten staat. Maar ga vooral door, toe nou, toe maar! Ja, toe maar."Ismène stapte de kelder in, één stap, verder durfde ze niet. Haar linkerhand gleed over de ruwe muur. Ze voelde het lichtknopje."Eén beweging is voldoende, één vinger die op het knopje drukt. En dan zal ik weten of... Ik kan ook teruggaan, de deur sluiten. Alles achter me laten, alsof hier niets bestaat, alsof de kelder leeg is. Nicolas niet hier is. Alsof, alsof..."Haar vinger bewoog. Een kale lamp zette de kelder in een fel licht. Een kreet echode in de smalle gang, drong door de smalle kier de hal binnen, greep zich wanhopig, struikelend en opkrabbelend, aan de trapleuning vast, sleepte zich omhoog, trede voor trede, en verstomde bij de bovenste verdieping, liet zich voor de openstaande deur vallen, uitgeput, stervend, dood.Ismène trilde over haar hele lichaam. Ze leek een beroerte te krijgen. Hoe kon een meisje van tien jaar dit beeld ook verdragen?
Mijn boek dat over enkele maanden zal uitkomen heeft de titel: "De oproep van Pluikje". Een sprookje voor jong en oud, voor de gelovige en de ongelovige.
Inleiding:
Ik liep door het bos, en meende te genieten van een zekere vrijheid. Tot een stem tot mij sprak…, de stem van een boze kabouter. “Hé, ben jij helemaal bedonderd?!” Ik heb met hem gesproken, en tijdens dat gesprek deed hij een oproep. Een oproep aan ons allemaal. Aan kinderen vooral, want zij hebben de deur naar hun innerlijke stem nog niet geheel dichtgedaan. Zij kunnen hun ouders de weg wijzen naar een leefwijze, die respectvoller omgaat met Moeder Aarde; een weg naar liefde, naar vrede. “De kinderen…, ja, de kinderen zijn onze hoop.” Woorden van de hoogste waarheid.
Ik verzeker jullie: dit verhaal is waar gebeurd. Luister naar de innerlijke stem, en jullie zullen zien en horen. Let maar op. Er wordt op jullie gewacht. Want zij hebben hun hoop op jullie gevestigd!
Publicatie artikel 'Het Zijn als losscheurend ijs'
Onderstaand artikel is in het juni nummer 2010 van het tijdschrift 'Spiegelbeeld' (http://www.spiegelbeeld.nl/) gepubliceerd.
Het ‘Zijn’ als losscheurend ijs
Smeltende ijskappen op de polen en de gletsjers; met donderend geraas stort het losscheurende ijs in het blauwe water. Gouden zonnestralen dirigeren het ballet van opspattende en weer in hun geheel terugkerende zeedruppels. IJsschotsen drijven langzaam af, laten zich meevoeren met de stroming van de zee; als een Odyssee naar onbekende oorden, cyclopen en cyclonen trotserend. Nader tot de horizon die nooit zal worden bereikt. Verder en verder verwijderen zij zich, worden kleiner, en raken uiteindelijk uit het zicht. Wij menen dat zij van de wereld zijn…
Als losscheurend ijs drijft het ‘Zijn’ van velen van ons af naar een horizon die de wereld omvat. Computers en mobieltjes hakken stevig in op ons bestaan. We zijn zo geobsedeerd door de aantrekkingskracht van deze apparaten, dat we niet meer in de gaten hebben dat wij almaar verder van ons ‘Zijn’ verwijderd raken. We staan met deze verleiders op, we gaan er mee naar bed, en daartussendoor kronkelen wij ons in de vreemdste bochten om hen vooral niet uit het oog te verliezen. We lopen over straat met het mobieltje aan het oor of al twitterend kijken we naar het schermpje in onze handen zonder onze omgeving waar te nemen. Als zombies die opgestaan zijn uit de tombes op het kerkhof van de leegheid verplaatsen wij ons van de ene plek naar de andere, van het begin- naar het eindpunt. Maar de weg die de verbinding vormt gaat geheel aan ons voorbij.
Wij zijn zo druk bezig met communicatiemiddelen, dat er geen aandacht meer is voor communicatie! Op straat kijken wij elkaar niet meer aan. Wij lopen, snellen, rennen langs elkaar heen zonder aandacht voor elkaar. Er wordt niet meer gegroet, niet meer recht in de ogen geschouwd. Praten is slechts nog mogelijk via een sms-bericht of Twitter. Druk kletsend via een microfoontje en het oordopje nog wat dieper in de oorschelp duwend merken wij niet dat er steeds meer lagen om de kern, het ware ‘Zijn’, heen worden gebouwd. Door de nieuwe communicatiemiddelen lijkt de wereld kleiner, het contact tussen de mensen intenser te worden. Wij staan in direct en constant contact met elkaar. Er wordt ‘gegoogled’ (ach, het woord alleen al!), zoniet, dan wordt er wel ‘getwitterd’ (mijn god!) of via Youtube, Hotmail Live Messenger, Facebook, Hyves of welke andere naam er aan de dodelijke spin gegeven kan worden gezocht naar vrienden en kennissen die wij zojuist op kantoor, school of straat nog tegengekomen waren. We raken verward in de kleverige draden van het web.
Zonder de aanwezige huisgenoten nog te groeten – hoogstens misschien een kort, snel knikje – zetten wij ons direct na thuiskomst achter de computer. Kilheid, afstandelijkheid en eenzaamheid moeten de leegheid vullen die gecreëerd is door de aanbieders van internet, computers, mobieltjes en Ipods. Aandacht wordt slechts nog gegeven aan het scherm en het toetsenbord. Snel een hap naar binnen werken, want aan de andere kant van het scherm wordt er op ons gewacht! “Was er nog iets bijzonders vandaag?” “Nee, niets.” Natuurlijk was er niets bijzonders vandaag: het bijzondere valt ons niet meer op, omdat we álles wat om ons heen gebeurt niet meer opmerken. We praten niet meer terwijl we elkaar in de ogen kunnen kijken, we gunnen elkaar geen aandacht meer; we leven meer en meer langs elkaar heen – ook al menen wij dat we méér contact met elkaar hebben. Het is contact via een toetsenbord, contact via een stralend scherm, contact via een nog stralender UMTS-mast. Stralingen die de leegheid in ons vullen met nóg meer leegheid. Meer en meer verwijderen wij ons van elkaar. De lege ruimte van versluierde begeerte, verlangen en onrust dijt uit, alsof het wordt opgeblazen door virtueel egoïsme. Lucht, meer is het niet. Lucht.
Ja, het is waar: de contacten worden veelvuldiger. Maar tegelijkertijd oppervlakkiger. We gaan niet meer met elkaar de verdieping in. Het bewustzijn drijft als een kurk op het verstilde water, doelloos dobberend, passief en gelaten – ongeïnteresseerd meer – de wereld aan zich voorbij laten gaand. Niet met een bord voor de kop – nee, deze is vervangen door een lcd-scherm. Binnen enkele jaren zullen we niet meer weten hoe de natuur ruikt, hoe de lokroep van vogels en herten klinkt…, hoe een mens eruit ziet. Al helemaal zullen we onbekend zijn met het innerlijk van de mens. We gaan eraan voorbij, zien het niet, omdat we het niet kúnnen herkennen.
Internet, mobieltjes, computers: zij rukken ons uiteen. Ons ‘Zijn’ scheurt met donderend geraas los. Nogmaals splitst de mens zich, zoals hij eens de dualiteit ingeworpen werd. Hij was niet meer Eén, zal weldra ook niet meer Twee zijn. Hij valt uiteen: lichaam, ziel en geest van elkaar gescheiden. Het ‘Zijn’ afgedreven, de horizon voorbij. Microsoft, Google, Hotmail, Hyves, Facebook, Yahoo, Apple en Youtube hebben hun taak naar behoren uitgevoerd. De spin met acht poten kan tevreden zijn: zijn web zit vol met slachtoffers, en elke seconde wordt er weer meer in het net gevangen. Zijn honger kent geen grenzen, is niet te stillen. De dodelijke kaken zetten zich in de prooi vast, rukken hem uiteen. Gulzig wordt hij door het beest verslonden – met huid en haar, met mobieltje en computer. Het Pentagon snelt met zijn acht poten over zijn geweven web, begerig naar meer en meer… naar macht. Onwetenden zijn het slachtoffer; zij slapen… Wordt wakker!!
Het ‘Zijn’ als losscheurend ijs
Smeltende ijskappen op de polen en de gletsjers; met donderend geraas stort het losscheurende ijs in het blauwe water. Gouden zonnestralen dirigeren het ballet van opspattende en weer in hun geheel terugkerende zeedruppels. IJsschotsen drijven langzaam af, laten zich meevoeren met de stroming van de zee; als een Odyssee naar onbekende oorden, cyclopen en cyclonen trotserend. Nader tot de horizon die nooit zal worden bereikt. Verder en verder verwijderen zij zich, worden kleiner, en raken uiteindelijk uit het zicht. Wij menen dat zij van de wereld zijn…
Als losscheurend ijs drijft het ‘Zijn’ van velen van ons af naar een horizon die de wereld omvat. Computers en mobieltjes hakken stevig in op ons bestaan. We zijn zo geobsedeerd door de aantrekkingskracht van deze apparaten, dat we niet meer in de gaten hebben dat wij almaar verder van ons ‘Zijn’ verwijderd raken. We staan met deze verleiders op, we gaan er mee naar bed, en daartussendoor kronkelen wij ons in de vreemdste bochten om hen vooral niet uit het oog te verliezen. We lopen over straat met het mobieltje aan het oor of al twitterend kijken we naar het schermpje in onze handen zonder onze omgeving waar te nemen. Als zombies die opgestaan zijn uit de tombes op het kerkhof van de leegheid verplaatsen wij ons van de ene plek naar de andere, van het begin- naar het eindpunt. Maar de weg die de verbinding vormt gaat geheel aan ons voorbij.
Wij zijn zo druk bezig met communicatiemiddelen, dat er geen aandacht meer is voor communicatie! Op straat kijken wij elkaar niet meer aan. Wij lopen, snellen, rennen langs elkaar heen zonder aandacht voor elkaar. Er wordt niet meer gegroet, niet meer recht in de ogen geschouwd. Praten is slechts nog mogelijk via een sms-bericht of Twitter. Druk kletsend via een microfoontje en het oordopje nog wat dieper in de oorschelp duwend merken wij niet dat er steeds meer lagen om de kern, het ware ‘Zijn’, heen worden gebouwd. Door de nieuwe communicatiemiddelen lijkt de wereld kleiner, het contact tussen de mensen intenser te worden. Wij staan in direct en constant contact met elkaar. Er wordt ‘gegoogled’ (ach, het woord alleen al!), zoniet, dan wordt er wel ‘getwitterd’ (mijn god!) of via Youtube, Hotmail Live Messenger, Facebook, Hyves of welke andere naam er aan de dodelijke spin gegeven kan worden gezocht naar vrienden en kennissen die wij zojuist op kantoor, school of straat nog tegengekomen waren. We raken verward in de kleverige draden van het web.
Zonder de aanwezige huisgenoten nog te groeten – hoogstens misschien een kort, snel knikje – zetten wij ons direct na thuiskomst achter de computer. Kilheid, afstandelijkheid en eenzaamheid moeten de leegheid vullen die gecreëerd is door de aanbieders van internet, computers, mobieltjes en Ipods. Aandacht wordt slechts nog gegeven aan het scherm en het toetsenbord. Snel een hap naar binnen werken, want aan de andere kant van het scherm wordt er op ons gewacht! “Was er nog iets bijzonders vandaag?” “Nee, niets.” Natuurlijk was er niets bijzonders vandaag: het bijzondere valt ons niet meer op, omdat we álles wat om ons heen gebeurt niet meer opmerken. We praten niet meer terwijl we elkaar in de ogen kunnen kijken, we gunnen elkaar geen aandacht meer; we leven meer en meer langs elkaar heen – ook al menen wij dat we méér contact met elkaar hebben. Het is contact via een toetsenbord, contact via een stralend scherm, contact via een nog stralender UMTS-mast. Stralingen die de leegheid in ons vullen met nóg meer leegheid. Meer en meer verwijderen wij ons van elkaar. De lege ruimte van versluierde begeerte, verlangen en onrust dijt uit, alsof het wordt opgeblazen door virtueel egoïsme. Lucht, meer is het niet. Lucht.
Ja, het is waar: de contacten worden veelvuldiger. Maar tegelijkertijd oppervlakkiger. We gaan niet meer met elkaar de verdieping in. Het bewustzijn drijft als een kurk op het verstilde water, doelloos dobberend, passief en gelaten – ongeïnteresseerd meer – de wereld aan zich voorbij laten gaand. Niet met een bord voor de kop – nee, deze is vervangen door een lcd-scherm. Binnen enkele jaren zullen we niet meer weten hoe de natuur ruikt, hoe de lokroep van vogels en herten klinkt…, hoe een mens eruit ziet. Al helemaal zullen we onbekend zijn met het innerlijk van de mens. We gaan eraan voorbij, zien het niet, omdat we het niet kúnnen herkennen.
Internet, mobieltjes, computers: zij rukken ons uiteen. Ons ‘Zijn’ scheurt met donderend geraas los. Nogmaals splitst de mens zich, zoals hij eens de dualiteit ingeworpen werd. Hij was niet meer Eén, zal weldra ook niet meer Twee zijn. Hij valt uiteen: lichaam, ziel en geest van elkaar gescheiden. Het ‘Zijn’ afgedreven, de horizon voorbij. Microsoft, Google, Hotmail, Hyves, Facebook, Yahoo, Apple en Youtube hebben hun taak naar behoren uitgevoerd. De spin met acht poten kan tevreden zijn: zijn web zit vol met slachtoffers, en elke seconde wordt er weer meer in het net gevangen. Zijn honger kent geen grenzen, is niet te stillen. De dodelijke kaken zetten zich in de prooi vast, rukken hem uiteen. Gulzig wordt hij door het beest verslonden – met huid en haar, met mobieltje en computer. Het Pentagon snelt met zijn acht poten over zijn geweven web, begerig naar meer en meer… naar macht. Onwetenden zijn het slachtoffer; zij slapen… Wordt wakker!!
Publicatie artikel 'Usophia'
Mijn artikel Usophia is in het april nummer 2010 van het tijdschrift Spiegelbeeld(http://www.spiegelbeeld.nl/) gepubliceerd.
Usophia
Ergens ver weg in het oneindige universum, duizenden lichtjaren van ons zonnestelsel verwijderd, draait een planeet om haar zon in wiens stralend licht zij helderblauw kleurt. Reeds ruim duizend jaar heerst er op deze planeet een absolute vrede. De huidige bewoners kennen wapens slechts van afbeeldingen en beschrijvingen uit het verre verleden. Vol afgrijzen en onbegrip om zo weinig respect voor elkaar en het leven schudden zij het hoofd en prijzen zich gelukkig dat zij niet meer in die historische tijden leven.
Dankbaar kijken zij naar de zon, wijzen hun kinderen op deze eeuwigdurende levensbrenger. Ja, al vele eeuwen verwarmt zij hun huizen en het water en is zij de enige krachtbron voor hun voertuigen over zee, land en door de lucht. Luchtvervuiling is eeuwen geleden een achtergelaten begrip, dat zelfs niet meer voorkomt in woordenboeken; - de industrie draait geheel op zonne-energie en zij maakt volkomen gebruik van het recyclingproces. Op deze planeet kent men geen werkloosheid, want een ieder zet zich in voor de medemens; men zorgt voor het gezin, de familie, de ouderen en zieken of voor de dieren, die een vrij bestaan hebben zonder hekken, tralies of wildroosters. Daarom zijn er ook geen dierentuinen: de dieren zijn door iedereen en overal vrij te zien.
Nee, op deze planeet bestaat geen dierenleed. Evenmin als geld. Dat is mogelijk omdat de wezens niet geleid worden door hebzucht, verlangen en jaloezie. Kosteloos werken zij bij de bedrijven, want het voedsel is gratis, evenals de kleding, het schoeisel, de behuizing, het vervoer -. Kortom, álles wordt ter beschikking gesteld. Daarom is er geen winstbejag, geen jacht op financieel gewin, geen aandelen, geen bonussen, geen vakbonden of werkgeversorganisaties. Armoede is al helemaal een onbekend begrip! Deze kan slechts bestaan in een wereld dat om geld draait.
Doordat de wezens liefde, respect en tevredenheid in hun hart dragen, en deze ook naar de medewezens uitstralen en uiten, respecteren de verschillende landen elkaar. Grenzen bestaan uitsluitend op oude kaarten; - en er is vrij verkeer tussen de landen onderling. Paspoorten of andere identiteitskaarten bestaan dan ook niet. Elk individueel wezen is zich bewust dat hij deel uitmaakt van een samenleving en dat deze samenleving alleen bestaan kan door haar delen, en dat liefde en respect de delen bijeenhouden. Men beseft terdege dat het individu en de samenleving elkaar nodig hebben. Om deze reden beseffen de bewoners ook dat er bestuurders moeten zijn, die voor een bepaalde termijn uit hun midden worden gekozen via een algemeen, voor iedereen geldend en leeftijdsonafhankelijk kiesrecht. De bestuurder wordt gekozen op individuele vaardigheden, die voor iedere kiezer zo duidelijk aanwezig zijn dat campagnes niet gevoerd behoeven te worden. Niemand stelt zich overigens verkiesbaar, want iedere bewoner is verkiesbaar. Politiek is niet aanwezig, want iedere gekozen bestuurder heeft liefde, respect en tevredenheid in het hart, en weet dat hij gekozen is om de samenleving te dienen -, en niet andersom. Door de samenleving te dienen, dient de bestuurder het individu.
Deze planeet is een planeet van stilte. Het enige geluid wat te beluisteren valt, is het gezang van de vogels, het ritselen van de bladeren, het ruisen van de zee, de lokroep van de dieren, het gelach van kinderen, en de muziek van de bewoners. Ja, elke bewoner is een muzikant. Elke dag komen de bewoners samen om hun instrumenten te bespelen en hun liederen te zingen tot zij met een blijde glimlach slapen gaan.
Op deze planeet, niet groter en niet kleiner dan onze aarde, bestaat niet de onsterfelijkheid, maar vindt er wel een cyclus van wedergeboorten plaats. Elk gestorven wezen komt na een periode van enige jaren als ziel in een staat van goddelijk ‘zijn’ te zijn verbleven in een nieuw getransformeerd lichaam terug op de planeet. Ieder die sterft is zich hiervan bewust, en vreest de dood dan ook niet. Integendeel, men sterft blijmoedig, want een nieuw leven is aanstaande. Alleen het waar en het als wie zijn vragen, waarop het antwoord pas gegeven kan worden op het moment van bevruchting.
Verjaardagen worden dan ook niet gevierd; wel het moment van bevruchting, die iedereen door innerlijke beschouwing bekend is. Het feest wordt vergezeld door veel muziek en dans.
Duizenden lichtjaren van ons verwijderd blijkt derhalve wel een leven mogelijk van vrede, liefde en respect. In mijn gedachten overbrug ik die afstand in de tijdspanne van een oogwenk, en waan me één van die tevreden wezens; - het enige moment dat waan zin heeft…
Usophia
Ergens ver weg in het oneindige universum, duizenden lichtjaren van ons zonnestelsel verwijderd, draait een planeet om haar zon in wiens stralend licht zij helderblauw kleurt. Reeds ruim duizend jaar heerst er op deze planeet een absolute vrede. De huidige bewoners kennen wapens slechts van afbeeldingen en beschrijvingen uit het verre verleden. Vol afgrijzen en onbegrip om zo weinig respect voor elkaar en het leven schudden zij het hoofd en prijzen zich gelukkig dat zij niet meer in die historische tijden leven.
Dankbaar kijken zij naar de zon, wijzen hun kinderen op deze eeuwigdurende levensbrenger. Ja, al vele eeuwen verwarmt zij hun huizen en het water en is zij de enige krachtbron voor hun voertuigen over zee, land en door de lucht. Luchtvervuiling is eeuwen geleden een achtergelaten begrip, dat zelfs niet meer voorkomt in woordenboeken; - de industrie draait geheel op zonne-energie en zij maakt volkomen gebruik van het recyclingproces. Op deze planeet kent men geen werkloosheid, want een ieder zet zich in voor de medemens; men zorgt voor het gezin, de familie, de ouderen en zieken of voor de dieren, die een vrij bestaan hebben zonder hekken, tralies of wildroosters. Daarom zijn er ook geen dierentuinen: de dieren zijn door iedereen en overal vrij te zien.
Nee, op deze planeet bestaat geen dierenleed. Evenmin als geld. Dat is mogelijk omdat de wezens niet geleid worden door hebzucht, verlangen en jaloezie. Kosteloos werken zij bij de bedrijven, want het voedsel is gratis, evenals de kleding, het schoeisel, de behuizing, het vervoer -. Kortom, álles wordt ter beschikking gesteld. Daarom is er geen winstbejag, geen jacht op financieel gewin, geen aandelen, geen bonussen, geen vakbonden of werkgeversorganisaties. Armoede is al helemaal een onbekend begrip! Deze kan slechts bestaan in een wereld dat om geld draait.
Doordat de wezens liefde, respect en tevredenheid in hun hart dragen, en deze ook naar de medewezens uitstralen en uiten, respecteren de verschillende landen elkaar. Grenzen bestaan uitsluitend op oude kaarten; - en er is vrij verkeer tussen de landen onderling. Paspoorten of andere identiteitskaarten bestaan dan ook niet. Elk individueel wezen is zich bewust dat hij deel uitmaakt van een samenleving en dat deze samenleving alleen bestaan kan door haar delen, en dat liefde en respect de delen bijeenhouden. Men beseft terdege dat het individu en de samenleving elkaar nodig hebben. Om deze reden beseffen de bewoners ook dat er bestuurders moeten zijn, die voor een bepaalde termijn uit hun midden worden gekozen via een algemeen, voor iedereen geldend en leeftijdsonafhankelijk kiesrecht. De bestuurder wordt gekozen op individuele vaardigheden, die voor iedere kiezer zo duidelijk aanwezig zijn dat campagnes niet gevoerd behoeven te worden. Niemand stelt zich overigens verkiesbaar, want iedere bewoner is verkiesbaar. Politiek is niet aanwezig, want iedere gekozen bestuurder heeft liefde, respect en tevredenheid in het hart, en weet dat hij gekozen is om de samenleving te dienen -, en niet andersom. Door de samenleving te dienen, dient de bestuurder het individu.
Deze planeet is een planeet van stilte. Het enige geluid wat te beluisteren valt, is het gezang van de vogels, het ritselen van de bladeren, het ruisen van de zee, de lokroep van de dieren, het gelach van kinderen, en de muziek van de bewoners. Ja, elke bewoner is een muzikant. Elke dag komen de bewoners samen om hun instrumenten te bespelen en hun liederen te zingen tot zij met een blijde glimlach slapen gaan.
Op deze planeet, niet groter en niet kleiner dan onze aarde, bestaat niet de onsterfelijkheid, maar vindt er wel een cyclus van wedergeboorten plaats. Elk gestorven wezen komt na een periode van enige jaren als ziel in een staat van goddelijk ‘zijn’ te zijn verbleven in een nieuw getransformeerd lichaam terug op de planeet. Ieder die sterft is zich hiervan bewust, en vreest de dood dan ook niet. Integendeel, men sterft blijmoedig, want een nieuw leven is aanstaande. Alleen het waar en het als wie zijn vragen, waarop het antwoord pas gegeven kan worden op het moment van bevruchting.
Verjaardagen worden dan ook niet gevierd; wel het moment van bevruchting, die iedereen door innerlijke beschouwing bekend is. Het feest wordt vergezeld door veel muziek en dans.
Duizenden lichtjaren van ons verwijderd blijkt derhalve wel een leven mogelijk van vrede, liefde en respect. In mijn gedachten overbrug ik die afstand in de tijdspanne van een oogwenk, en waan me één van die tevreden wezens; - het enige moment dat waan zin heeft…
Korte gedichten
Loslaten
De wereld houdt mij vast
In ketenen van hebzucht
In zucht naar materialisme;
Haar zoetgevooisde stem
Klanken van waarachtigheid
Zo aanlokkelijk, zo hemels
Zweven mij tegemoet
En verleiden mij welbewust
Mij te storten in haar armen –
Ach, bindt mij vast!
Met touwen van zelfbewustzijn
Met kabels der vrijheid
Want haar ogen zijn vals
En mijn ego is zwak –
Ach, bindt mij vast
Met banden van liefde…
Tot goddelijk inzicht mij leert
Dat ík het ben
Die de wereld vasthoudt
Dat ik niet meer hoef te doen
Dan mijn armen te openen
Om de wereld los te laten
En de liefde te ontvangen.
Doods
Zwijgend achter een raam
naar buiten staren
en niet eens zien
hoe het leven voorbijtrekt
zonder één blik
naar binnen te werpen:
een uitnodiging aan de dood
eens snel aan te gaan
Zwijgend achter een raam
naar buiten staren
en niet eens zien
hoe het leven voorbijtrekt
zonder één blik
naar binnen te werpen:
een uitnodiging aan de dood
eens snel aan te gaan
Verstild
De regenboog rekt zich uit
en legt zich neer op mijn graf
zacht neuriet hij een lied
over liefde en hoop:
verstilde woorden van een stem
die niet schreeuwen kan
Blanco
Wat ik níet op papier zet
is het meest spraakmakende
want alleszeggend
Breuk
‘Tot de dood ons scheidt’
woorden vol zinloosheid
want het is niet de dood
die ons uiteenrukt
maar het ontbreken
aan liefde en respect
Pic St. Loup
Je wolvenkop is in nevelen gehuld
geen mens die ziet
dat je je tanden ontbloot
ach, laat die grijze mist
toch nog alsjeblieft even daar
want anders zal men zien
als jouw lijf beschenen wordt
door gouden zonneschijn
dat je in werkelijkheid
niet meer dan een lammetje bent
Waaiertjes
– Waarom het heden altijd nú is –
Het heden sleept altijd en oneindig het verleden met zich mee: loodzwaar hangt de laatste aan het heden, en aan de andere kant is de toekomst nog te jong en te zwak om het heden van zijn plaats te krijgen.
– Het bestaan als wonde –
Het bestaan is een eeuwige, open wonde. Zij bloedt, zij ettert, en we lijden er allemaal onder. Voor de één is de dood het geneesmiddel, voor de ander het geloof. Noch de dood, noch de goden zijn echter in staat de wond te dichten; hoogstens kunnen zij de pijn draaglijker maken, want Morpheus strooit de lijder zand in de ogen.
Besefte de mens maar dat genezing vanuit hemzelf kan komen; in hem, verborgen in het hart en de ziel, leven namelijk liefde en respect, hoopvol wachtend tot zij de mens kunnen verlossen van de ondraaglijkheid van het bestaan, ja!, tot zij de wonde kunnen genezen, die ontstaan is door de meest woekerende ziekte: begeerte!
– Zij schreed voorbij –
Allen keken naar haar om toen zij voorbij schreed, waarbij het scheen alsof haar voeten de aarde niet raakten; ja, zowel mannen als vrouwen konden hun ogen niet van haar af houden. Zij was dan ook een bijzondere verschijning, in schoonheid niet te overtreffen. Doch het meest van al wat de mensen trof was de kracht die zij uitstraalde.
Werkelijk iedereen merkte haar op, maar niemand – en dát is het meest verbijsterende –, niemand herkende in haar de Waarheid!
– Geloof (1) –
Zodra mijn geloof bewezen wordt, is het overtuiging geworden; - waarmee gezegd is dat kennis de moordenaar van het geloof is.
– Geloof (2) –
De mens van deze tijd bevindt zich in een fase tussen ‘geloven’ en ‘weten’. Hij gelooft dat hij weet, maar in werkelijkheid gelooft hij niet meer, en weet hij nog niet.
– Vaccinatie (1) –
Je gezondheid is één reden om je NIET te laten vaccineren; je onafhankelijkheid, dus je vrijheid is een andere.
– Vaccinatie (2) –
De internationale overheden zetten het meest dodelijke wapen in: vaccinatie! En het volk? Zoals het zeventig jaar geleden massaal de arm strekte om een illusie te volgen, zo strekt het nu de arm voor een prikje; maar ook nu volgt het volk een illusie.
– Moraal –
Zelfkennis is het fundament van de moraal; vandaar dat de moraal op instorten staat…
– Vriendschap (1) –
Vriendschap is een wolk die hoog aan de hemel voorbijtrekt; en er naar kijkende zie je hoe de zon haar verdampt…
– Vriendschap (2) –
Vriendschap is als losscheurend ijs aan de poolkap; het drijft weg en het smelt. Uiteindelijk is er niets meer van te zien.
– Descartes –
Alles wat of waaraan ik denk bestaat. Dit is een geheel ander uitgangspunt dan het ‘ik denk, dus ik ben’, want het kan betekenen dat alles bestaat behalve ik; een universum van objecten zonder subject!
– Bestaan –
Het bestaan is een archetypische overlevering; de idee van het bestaan – ofwel het bestaan van het bestaan – is ons opgedrongen door onze voorouders. De inbeeldingen zijn vanaf het allereerste begin van de mensheid in de menselijke ziel gebrand, waardoor het bestaan een oerbeeld geworden is in het collectief onbewuste. Dit houdt in dat de existentie historisch van aard is, en ons geen garantie op de toekomst biedt.
– Stilte (1) –
Mijn ogen zijn op zoek naar een verstild beeld van de liefde, zodat ik haar kan omhelzen, vasthouden in de leegte der onvergankelijkheid.
– Stilte (2) –
Het geschreeuw in de wereld is als een wervelstorm: in de kern is er stilte.
– Stilte (3) –
Een goed gesprek is woordloos.
– Stilte (4) –
De wereld zal ten onder gaan aan een Babylonische spraakverwarring als wij woorden nodig hebben om elkaar te begrijpen.
Over mijn waarom van het schrijven

Over mijn waarom van het schrijven
Wat zet mij er steeds toe aan de pen op te pakken en de opkomende kronkels, gedachten, beschouwingen en fantasieën op papier te zetten en hoe ben ik uiteindelijk tot het schrijven van Nietzsches Afrekening gekomen.
In relatie tot de door Nietzsche geopperde wil tot macht wordt de inkt die uit mijn pen vloeit geleid door de wil tot vrijheid. De wil tot vrijheid is de drift tot vrijheid; juist de Schopenhaueriaanse wil, de wereldziel, of nog liever, de innerlijke ervaring. De wil als oerbron van ons handelen eist de vrijheid op. Zo gezien is het de vrijheid niet gegeven zichzelf te zijn, namelijk vrij. Vanuit zijn oorsprong, vanuit zijn wil tracht de mens te grijpen naar de vrijheid, die echter aan een touw lijkt te bungelen, waaraan de staat of de door de staat ondersteunde instituten naar believen trekken, zodat de vrijheid voor de individuele burger onbereikbaar is. Een afhankelijke – en daarom volgzame – mens wordt gecreëerd.
Ik wil niet met vragen blijven zitten; zoek daarom de antwoorden. Niet in het minst bij mezelf, omdat mijn vragen met name over de moraal gaan, het goed en het kwaad, het hoe en waarom van het handelen van de mens in de geschiedenis, het heden en de toekomst; - mijn vragen gaan over de wil, de vrijheid en de gestoordheid als norm, en over de volgzaamheid en het fatalisme van de massa. De antwoorden op deze vragen zweven ergens rond in de kosmos, ingekapseld in fotonen en daar wij als mens direct verbonden zijn met die fotonen, dragen wij de antwoorden op al onze vragen ìn ons.
Ik blijf me vragen stellen, aan mijn ziel, aan mijn geest.
De grond en de ongrond van het bestaan is te omvangrijk - oneindig en tijdloos - om zich niet om hun ‘zijn’ te verwonderen. De pen geeft mij de mogelijkheid het gesprek met mijzelf en mijn persoonlijkheden aan te gaan.
Ik besef dat het boek filosofisch van aard is, maar benadruk dat het daarentegen zulke geestige en minder ‘zware’ verhalen bevat, dat ook de minder filosofisch ingestelde lezer er plezier aan zal beleven. De spiritueel geïnspireerde zal zeker van zijn gading vinden in de beschouwingen van de reflecterende Nietzsche.
Ik hoop dat mijn werk anderen zal aanzetten tot reflectie, en dat deze zelfbeschouwing leiden zal tot een wereld van vrede en respect. Een wereld waarin vrijheid centraal staat, en de mens in volle bewustzijn van zijn bestaan is.
Ik geef toe dat dit wellicht idealistisch overkomt, maar ik vertrouw erop dat passie leidt tot het ideaal, en hoop dat mijn passie voor het boek en het schrijven mij zal leiden op de weg naar het ideaal.
Ik ben bijzonder geraakt door de passie van Nietzsche en ik hoop dat ik deze passie op de lezer kan overbrengen.
Over Nietzsches Afrekening
In relatie tot de door Nietzsche geopperde wil tot macht wordt de inkt die uit mijn pen vloeit geleid door de wil tot vrijheid. De wil tot vrijheid is de drift tot vrijheid; juist de Schopenhaueriaanse wil, de wereldziel, of nog liever, de innerlijke ervaring. De wil als oerbron van ons handelen eist de vrijheid op. Zo gezien is het de vrijheid niet gegeven zichzelf te zijn, namelijk vrij. Vanuit zijn oorsprong, vanuit zijn wil tracht de mens te grijpen naar de vrijheid, die echter aan een touw lijkt te bungelen, waaraan de staat of de door de staat ondersteunde instituten naar believen trekken, zodat de vrijheid voor de individuele burger onbereikbaar is. Een afhankelijke – en daarom volgzame – mens wordt gecreëerd.
Ik wil niet met vragen blijven zitten; zoek daarom de antwoorden. Niet in het minst bij mezelf, omdat mijn vragen met name over de moraal gaan, het goed en het kwaad, het hoe en waarom van het handelen van de mens in de geschiedenis, het heden en de toekomst; - mijn vragen gaan over de wil, de vrijheid en de gestoordheid als norm, en over de volgzaamheid en het fatalisme van de massa. De antwoorden op deze vragen zweven ergens rond in de kosmos, ingekapseld in fotonen en daar wij als mens direct verbonden zijn met die fotonen, dragen wij de antwoorden op al onze vragen ìn ons.
Ik blijf me vragen stellen, aan mijn ziel, aan mijn geest.
De grond en de ongrond van het bestaan is te omvangrijk - oneindig en tijdloos - om zich niet om hun ‘zijn’ te verwonderen. De pen geeft mij de mogelijkheid het gesprek met mijzelf en mijn persoonlijkheden aan te gaan.
Ik besef dat het boek filosofisch van aard is, maar benadruk dat het daarentegen zulke geestige en minder ‘zware’ verhalen bevat, dat ook de minder filosofisch ingestelde lezer er plezier aan zal beleven. De spiritueel geïnspireerde zal zeker van zijn gading vinden in de beschouwingen van de reflecterende Nietzsche.
Ik hoop dat mijn werk anderen zal aanzetten tot reflectie, en dat deze zelfbeschouwing leiden zal tot een wereld van vrede en respect. Een wereld waarin vrijheid centraal staat, en de mens in volle bewustzijn van zijn bestaan is.
Ik geef toe dat dit wellicht idealistisch overkomt, maar ik vertrouw erop dat passie leidt tot het ideaal, en hoop dat mijn passie voor het boek en het schrijven mij zal leiden op de weg naar het ideaal.
Ik ben bijzonder geraakt door de passie van Nietzsche en ik hoop dat ik deze passie op de lezer kan overbrengen.
Over Nietzsches Afrekening
Nietzsches Afrekening vangt aan op het moment van Nietzsches totale geestelijke verval in 1889 en tracht op fictieve wijze het denken van deze filosoof weer te geven tot aan zijn overlijden op 25 augustus 1900.
Nietzsches geest leefde sindsdien in een voor anderen onzichtbare duisternis. Wat zich daar afspeelde kon niemand – en zeker zijn kortzichtige en door hebzucht geleide zuster niet bevroeden. Was een waanzinnige nog in staat gedachten te formuleren? Was Nietzsche niet door zijn eigen denken verslonden? Zijn denken was zo immens, zo universeel oneindig, dat het niet anders kon dan dat het onvermijdelijke móest gebeuren, namelijk dat deze dionysische filosoof zich verloor in die kosmische uitgestrektheid, waarin de door hem geschapen sterren – ja!, in zoverre was hij God – hun tentakels naar hem strekten, hem bij zijn strot grepen en vervolgens hun tanden in hun schepper zetten.
Naast de vele hypothesen omtrent zijn toch plotseling naar buiten gekomen waanzin kan eveneens de vraag gesteld worden of Nietzsche niet door God tot waanzin gebracht is, als straf en genoegdoening voor het gegeven dat hij de dolle mens het plein liet oprennen uitroepend dat God dood is. God als wraakzuchtige psychopaat? God, wiens schaduw wij ook nog moeten overwinnen? Nee, zo steekt de God van Nietzsche niet in elkaar. In de laatste uren van zijn leven ontmoet Nietzsche zijn God. Een citaat uit het boek: “Ja”, zegt God uiteindelijk, “sla je arm om mijn schouder, ik zal je ondersteunen - ; wat ben je toch verzwakt. Je zwijgt – goed, zeg maar niets: Het is overbodig je over de dood druk te maken. Doe het rustig aan, we hoeven ons niet te haasten ….”
Nietzsches geest leefde sindsdien in een voor anderen onzichtbare duisternis. Wat zich daar afspeelde kon niemand – en zeker zijn kortzichtige en door hebzucht geleide zuster niet bevroeden. Was een waanzinnige nog in staat gedachten te formuleren? Was Nietzsche niet door zijn eigen denken verslonden? Zijn denken was zo immens, zo universeel oneindig, dat het niet anders kon dan dat het onvermijdelijke móest gebeuren, namelijk dat deze dionysische filosoof zich verloor in die kosmische uitgestrektheid, waarin de door hem geschapen sterren – ja!, in zoverre was hij God – hun tentakels naar hem strekten, hem bij zijn strot grepen en vervolgens hun tanden in hun schepper zetten.
Naast de vele hypothesen omtrent zijn toch plotseling naar buiten gekomen waanzin kan eveneens de vraag gesteld worden of Nietzsche niet door God tot waanzin gebracht is, als straf en genoegdoening voor het gegeven dat hij de dolle mens het plein liet oprennen uitroepend dat God dood is. God als wraakzuchtige psychopaat? God, wiens schaduw wij ook nog moeten overwinnen? Nee, zo steekt de God van Nietzsche niet in elkaar. In de laatste uren van zijn leven ontmoet Nietzsche zijn God. Een citaat uit het boek: “Ja”, zegt God uiteindelijk, “sla je arm om mijn schouder, ik zal je ondersteunen - ; wat ben je toch verzwakt. Je zwijgt – goed, zeg maar niets: Het is overbodig je over de dood druk te maken. Doe het rustig aan, we hoeven ons niet te haasten ….”
Nietzsche was een tweespaltig wezen, in wie de ziel in een constante spagaat leek te liggen. Er was die beschaafde, voorkomende en bescheiden man, die heel sociaal met zijn medemens – en dan vooral die van het andere geslacht – omging. Tegelijkertijd echter was er die schreeuwende, tierende, razende, explosieve en niets en niemand ontziende schrijver. In Nietzsches Afrekening krijgen we beide helften van deze gespleten ziel te zien; een ziel die uiteindelijk vrede in zichzelf gevonden lijkt te hebben, een ziel die aan de hand van de eens door hem verguisde en doodgewaande God het pad opgaat, dat hem naar de ongrond van het leven voert, waar zielen als Zarathoestra, Raskalnikov, Aljosja en Wagner hem zullen opwachten - , en hem zullen omhelzen. Nietzsche is verzoend met zichzelf en zijn ziel kan dan ook zeggen:
‘Ik was niet, ik ben geworden’.
‘Ik was niet, ik ben geworden’.
Nietzsches Afrekening
Résumé
Op 3 januari 1889 omhelst een besnorde man op de Piazzo Carlo Alberto te Turijn het paard van een huurkoets; hij kan het niet aanzien dat het edele dier door de koetsier geslagen wordt en wil hem tegen de slagen beschermen. Een opwelling van medelijden; een medelijden ook, dat hij voor dieren voelt -, niet voor mensen.Drie dagen later schrijft dezelfde man een brief aan Jacob Burckhardt, waarin hij onder meer de woorden bezigt: “Uiteindelijk was ik veel liever professor in Basel geweest dan God.”Direct na ontvangst van deze brief vertrekt Franz Overbeck naar Turijn en treft zijn vriend in waanzinnigheid aan. Friedrich Nietzsche – over hem hebben we het – wordt in een zenuwinrichting opgenomen. Al snel echter haalt zijn moeder hem in haar huis te Naumberg en verzorgt hem. Een zorg die later na de dood van Nietzsche’s moeder wordt overgenomen door zijn zus Elisabeth.Op 25 augustus 1900 sterft Friedrich Nietzsche in villa Silberblick te Weimar. Elf jaren van totale geestelijke verduistering zijn dan voorbij. Totaal? …. Niemand weet wat zich in het hoofd van deze bijzondere en velen tot de verbeelding sprekende filosoof afspeelt. Is er inderdaad sprake van een totale verduistering of is de maan toch niet geheel voor de zon geschoven en zorgen enkele stralen voor een weinig levenslicht? Een schijnbaar vegeterend leven, waarin de gedachten van Nietzsche vaak volgens de merkwaardigste kronkels toch hun uitweg uit dat door krankzinnigheid aangetaste brein zoeken. Het kan toch niet zo zijn dat waar hij altijd voor geleefd heeft – het denken – van de een op de andere dag in die winterdagen van 1889 ophoudt te bestaan? Onmogelijk! Zittend in zijn fauteuil moet hij de wereld om zich heen hebben beschouwd -, onophoudelijk zijn gedachten erover hebben laten gaan. Denken was zijn leven, denken was als een adem. De eeuwige wederkeer, de wil tot macht, de hogere mens, Zarathoestra – zij kunnen niet zijn verdwenen. Evenmin zijn herinneringen aan Wagner, diens Parsival. Hij schreeuwt in stilte; slechts voor heel weinigen is het weggelegd deze grote ziel – deze hogere mens? – te horen. God, ja -, natuurlijk, Hij heeft hem gehoord. En begrepen; in een lang tweegesprek, dat soms oplaait tot vurige discussies, waarbij Nietzsche zich als vanouds van spotternijen en grofheden bedient, vinden de twee tegenstrevers elkaar. Ondersteund door God besluit de lichamelijk uitgeputte filosoof met de verrassend levenslustige God mee te gaan naar het licht, waar zovele bekenden hem reikhalzend op staan te wachten.Wellicht was Nietzsche toch niet zo waanzinnig als anderen – de hem meest naasten voorop – probeerden te doen voorkomen! Wie zal het zeggen? U? Ik niet, want hij leeft in mij voort -.
ISBN nummer: 978 90 78905 27 1.
Abonneren op:
Posts (Atom)
