Recensies

Recensie van Marcel Hofman over Nietzsches Afrekening

Nietzsches afrekening: een verzoening met God?

In tien dagen van koortsachtig schrijven had Nietzsche iets op papier gezet dat later een van zijn bekendste boeken zou worden ‘Aldus sprak Zarathoestra’. Op 1 februari 1883 schreef Nietzsche naar aanleiding hiervan in een brief aan zijn vriend Franz Overbeck, “dat hij met zijn beste boek een beslissende stap had genomen, waarvoor hij lange tijd de moed niet had kunnen vinden.” Diezelfde dag nog schreef hij aan zijn andere vriend Köselitz: “Van nu af aan zal men mij in Duitsland onder de gekken rekenen. Het boek staat vol met preken over moraal.”

Twee weken later schreef Nietzsche aan zijn uitgever dat hij een ‘nuttig’ boekje had geproduceerd, “Een poëtisch werk, een soort vijfde evangelie, een boek van een soort waarvoor men nog geen naam heeft. Het is het stoutmoedigste maar teven het meest begeesterende van al mijn werken, en voor iedereen te begrijpen.” Die laatste opmerking moet men met een korrel zout nemen: het was behalve een gewiekste marketingzet, ook de wens als vader van de gedachte die hier tot uiting kwam. Immers hoe weinig was hij bekend met de wereld van kruideniers en hun spoorboekjes.

Toen Nietzsche dus schreef ‘dat ze hem in Duitsland voor gek zouden verklaren’, had hij in zijn meest vermetele dromen niet kunnen vermoeden hoe dicht hij met die uitspraak de werkelijkheid op de huid zat. (Want) natuurlijk lag het voor de hand dat hij die ‘God voor dood had verklaard’ door anderen beschouwd zou worden als iemand die ‘helemaal van God los was’. De frase God is dood bleek een geheel eigen leven te gaan leiden.

De uitgever die vlak voor Pasen druk doende was met een ongekend grote oplage van een half miljoen christelijke gezangenboeken die van de pers kwam rollen, zag tot zijn grote schrik diezelfde frase op pagina drie van het manuscript, en werd door grote huivering bevangen. De druk ervan werd uitgesteld en pas een half jaar later, toen het tweede deel af was, verscheen deel 1 in een oplage van duizend boeken. Het jaar erop kreeg Nietzsche van de uitgeverij een bericht dat er nog geen honderd exemplaren van waren verkocht.

Ook nu staan we vlak voor het paasfeest en toeval of niet, de auteur Ron Appeldoorn knoopt met zijn boek ‘Nietzsches afrekening’ aan bij de discussie die velen sinds lange tijd heeft beziggehouden: Viel Nietzsche ten prooi aan krankzinnigheid? Sommigen weten het zeker en denken dat het onvermijdelijk was, dat zoals zij dit schampertjes formuleren ‘Nietzsches ongekende hoogmoed wel voor de val moest komen’, anderen daarentegen behouden hun gerede twijfel of Nietzsche eigenlijk wel het slachtoffer is geworden van zijn eigen hoogmoed!

De apostel Paulus zegt, ‘dat de mens zonder God in zijn verstand verduisterd raakt’. Nietzsche geeft zowel door zijn excentrieke manier van leven alsmede vanuit zijn werken te kennen, dat de volle consequentie van een leven zonder God grenst aan krankzinnigheid. Maar is hij daarmee zelf een krankzinnige? Christenen, vooral in zijn tijd, zouden dit maar al te graag doen geloven. En ook nu zijn er nog veel mensen die zich reddeloos en redeloos verloren wanen wanneer ze hun geloof in (de filosofische) God, niet als kapstok kunnen gebruiken om er hun eigen noodlot, hun hoop, geloof en liefde als persoonlijke troost aan op te kunnen hangen.

Op welke manier je het ook bekijkt, en vanuit welke perspectieven ook geprobeerd wordt orde in de eeuwige chaos van schijn en werkelijkheid te scheppen, de vraag of Nietzsche de waanzin over zichzelf heeft afgeroepen, blijft de gemoederen bezighouden. Ofwel mensen kiezen voor de al te makkelijke optie van geestelijke ineenstorting, ofwel zij proberen met een groot inlevingsvermogen aan te tonen dat die verklaring nog steeds voor heel verschillende uitleg vatbaar blijft. Curieus genoeg kan deze kwestie op zich al worden beschouwd als een herhaling van zetten. Of in de termen van Nietzsche: ‘de eeuwige herhaling van hetzelfde’.

Hoe dan ook, de auteur van ‘Nietzsches afrekening’ werpt een geheel ander en vooral verrassend nieuw licht op deze kennelijke patstelling. In zeer vermakelijke en niet van zelfspot gespeende tweegesprekken met God voert hij Nietzsche op als een hyperintelligent, emotioneel en helder denker, die als ziener ontegenzeggelijk zag wat komen ging. In de vaak hilarische beschrijvingen van hoe hij zich die tweegesprekken voorstelt tussen Nietzsche en God, maar ook met veel van zijn verstorven vrienden en vermeende vijanden, begeeft Appeldoorn zich bijna letterlijk in hogere regionen.

Met zijn korte en bondige verhalen kruipt hij als het ware in de huid van al die personages en juist die stijlvorm zorgt er voor dat er uiteindelijk een beeld ontstaat, dat soms niet alleen van Nietzsche en diens ontmoetingen met vele hemelgenoten, maar zelfs van God een mens van vlees en bloed maakt. Bij allen slaat de wanhoop soms toe om vervolgens weer om te slaan in ogenblikken van intense vreugde.

Wie het boek eenmaal heeft gelezen, kijkt met heel andere ogen naar de laatste dagen van Nietzsche, en kan niet langer meer een glimlach onderdrukken wanneer hij zichzelf nog eens de woorden van de Nietzsche in Turijn voor de geest haalt. Vermomd als de Messias begeeft hij zich onder de mensen, slaat bemoedigend zijn arm om hun schouders en fluistert ze in het oor: “Weest gerust, Gods wonderen zijn de wereld nog niet uit, en ook uw God is feitelijk nog een karikatuur. Desondanks dank ik de hemel op mijn blote knieën voor de oude wereld, waarvoor de mensen niet eenvoudig en stil genoeg zijn geweest.”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten