Over mijn waarom van het schrijven


Over mijn waarom van het schrijven

Wat zet mij er steeds toe aan de pen op te pakken en de opkomende kronkels, gedachten, beschouwingen en fantasieën op papier te zetten en hoe ben ik uiteindelijk tot het schrijven van Nietzsches Afrekening gekomen.

In relatie tot de door Nietzsche geopperde wil tot macht wordt de inkt die uit mijn pen vloeit geleid door de wil tot vrijheid. De wil tot vrijheid is de drift tot vrijheid; juist de Schopenhaueriaanse wil, de wereldziel, of nog liever, de innerlijke ervaring. De wil als oerbron van ons handelen eist de vrijheid op. Zo gezien is het de vrijheid niet gegeven zichzelf te zijn, namelijk vrij. Vanuit zijn oorsprong, vanuit zijn wil tracht de mens te grijpen naar de vrijheid, die echter aan een touw lijkt te bungelen, waaraan de staat of de door de staat ondersteunde instituten naar believen trekken, zodat de vrijheid voor de individuele burger onbereikbaar is. Een afhankelijke – en daarom volgzame – mens wordt gecreëerd.

Ik wil niet met vragen blijven zitten; zoek daarom de antwoorden. Niet in het minst bij mezelf, omdat mijn vragen met name over de moraal gaan, het goed en het kwaad, het hoe en waarom van het handelen van de mens in de geschiedenis, het heden en de toekomst; - mijn vragen gaan over de wil, de vrijheid en de gestoordheid als norm, en over de volgzaamheid en het fatalisme van de massa. De antwoorden op deze vragen zweven ergens rond in de kosmos, ingekapseld in fotonen en daar wij als mens direct verbonden zijn met die fotonen, dragen wij de antwoorden op al onze vragen ìn ons.
Ik blijf me vragen stellen, aan mijn ziel, aan mijn geest.
De grond en de ongrond van het bestaan is te omvangrijk - oneindig en tijdloos - om zich niet om hun ‘zijn’ te verwonderen. De pen geeft mij de mogelijkheid het gesprek met mijzelf en mijn persoonlijkheden aan te gaan.
Ik besef dat het boek filosofisch van aard is, maar benadruk dat het daarentegen zulke geestige en minder ‘zware’ verhalen bevat, dat ook de minder filosofisch ingestelde lezer er plezier aan zal beleven. De spiritueel geïnspireerde zal zeker van zijn gading vinden in de beschouwingen van de reflecterende Nietzsche.
Ik hoop dat mijn werk anderen zal aanzetten tot reflectie, en dat deze zelfbeschouwing leiden zal tot een wereld van vrede en respect. Een wereld waarin vrijheid centraal staat, en de mens in volle bewustzijn van zijn bestaan is.
Ik geef toe dat dit wellicht idealistisch overkomt, maar ik vertrouw erop dat passie leidt tot het ideaal, en hoop dat mijn passie voor het boek en het schrijven mij zal leiden op de weg naar het ideaal.
Ik ben bijzonder geraakt door de passie van Nietzsche en ik hoop dat ik deze passie op de lezer kan overbrengen.


Over Nietzsches Afrekening

Nietzsches Afrekening vangt aan op het moment van Nietzsches totale geestelijke verval in 1889 en tracht op fictieve wijze het denken van deze filosoof weer te geven tot aan zijn overlijden op 25 augustus 1900.
Nietzsches geest leefde sindsdien in een voor anderen onzichtbare duisternis. Wat zich daar afspeelde kon niemand – en zeker zijn kortzichtige en door hebzucht geleide zuster niet bevroeden. Was een waanzinnige nog in staat gedachten te formuleren? Was Nietzsche niet door zijn eigen denken verslonden? Zijn denken was zo immens, zo universeel oneindig, dat het niet anders kon dan dat het onvermijdelijke móest gebeuren, namelijk dat deze dionysische filosoof zich verloor in die kosmische uitgestrektheid, waarin de door hem geschapen sterren – ja!, in zoverre was hij God – hun tentakels naar hem strekten, hem bij zijn strot grepen en vervolgens hun tanden in hun schepper zetten.
Naast de vele hypothesen omtrent zijn toch plotseling naar buiten gekomen waanzin kan eveneens de vraag gesteld worden of Nietzsche niet door God tot waanzin gebracht is, als straf en genoegdoening voor het gegeven dat hij de dolle mens het plein liet oprennen uitroepend dat God dood is. God als wraakzuchtige psychopaat? God, wiens schaduw wij ook nog moeten overwinnen? Nee, zo steekt de God van Nietzsche niet in elkaar. In de laatste uren van zijn leven ontmoet Nietzsche zijn God. Een citaat uit het boek: “Ja”, zegt God uiteindelijk, “sla je arm om mijn schouder, ik zal je ondersteunen - ; wat ben je toch verzwakt. Je zwijgt – goed, zeg maar niets: Het is overbodig je over de dood druk te maken. Doe het rustig aan, we hoeven ons niet te haasten ….”

Nietzsche was een tweespaltig wezen, in wie de ziel in een constante spagaat leek te liggen. Er was die beschaafde, voorkomende en bescheiden man, die heel sociaal met zijn medemens – en dan vooral die van het andere geslacht – omging. Tegelijkertijd echter was er die schreeuwende, tierende, razende, explosieve en niets en niemand ontziende schrijver. In Nietzsches Afrekening krijgen we beide helften van deze gespleten ziel te zien; een ziel die uiteindelijk vrede in zichzelf gevonden lijkt te hebben, een ziel die aan de hand van de eens door hem verguisde en doodgewaande God het pad opgaat, dat hem naar de ongrond van het leven voert, waar zielen als Zarathoestra, Raskalnikov, Aljosja en Wagner hem zullen opwachten - , en hem zullen omhelzen. Nietzsche is verzoend met zichzelf en zijn ziel kan dan ook zeggen:
‘Ik was niet, ik ben geworden’.

Nietzsches Afrekening

Résumé

Op 3 januari 1889 omhelst een besnorde man op de Piazzo Carlo Alberto te Turijn het paard van een huurkoets; hij kan het niet aanzien dat het edele dier door de koetsier geslagen wordt en wil hem tegen de slagen beschermen. Een opwelling van medelijden; een medelijden ook, dat hij voor dieren voelt -, niet voor mensen.Drie dagen later schrijft dezelfde man een brief aan Jacob Burckhardt, waarin hij onder meer de woorden bezigt: “Uiteindelijk was ik veel liever professor in Basel geweest dan God.”Direct na ontvangst van deze brief vertrekt Franz Overbeck naar Turijn en treft zijn vriend in waanzinnigheid aan. Friedrich Nietzsche – over hem hebben we het – wordt in een zenuwinrichting opgenomen. Al snel echter haalt zijn moeder hem in haar huis te Naumberg en verzorgt hem. Een zorg die later na de dood van Nietzsche’s moeder wordt overgenomen door zijn zus Elisabeth.Op 25 augustus 1900 sterft Friedrich Nietzsche in villa Silberblick te Weimar. Elf jaren van totale geestelijke verduistering zijn dan voorbij. Totaal? …. Niemand weet wat zich in het hoofd van deze bijzondere en velen tot de verbeelding sprekende filosoof afspeelt. Is er inderdaad sprake van een totale verduistering of is de maan toch niet geheel voor de zon geschoven en zorgen enkele stralen voor een weinig levenslicht? Een schijnbaar vegeterend leven, waarin de gedachten van Nietzsche vaak volgens de merkwaardigste kronkels toch hun uitweg uit dat door krankzinnigheid aangetaste brein zoeken. Het kan toch niet zo zijn dat waar hij altijd voor geleefd heeft – het denken – van de een op de andere dag in die winterdagen van 1889 ophoudt te bestaan? Onmogelijk! Zittend in zijn fauteuil moet hij de wereld om zich heen hebben beschouwd -, onophoudelijk zijn gedachten erover hebben laten gaan. Denken was zijn leven, denken was als een adem. De eeuwige wederkeer, de wil tot macht, de hogere mens, Zarathoestra – zij kunnen niet zijn verdwenen. Evenmin zijn herinneringen aan Wagner, diens Parsival. Hij schreeuwt in stilte; slechts voor heel weinigen is het weggelegd deze grote ziel – deze hogere mens? – te horen. God, ja -, natuurlijk, Hij heeft hem gehoord. En begrepen; in een lang tweegesprek, dat soms oplaait tot vurige discussies, waarbij Nietzsche zich als vanouds van spotternijen en grofheden bedient, vinden de twee tegenstrevers elkaar. Ondersteund door God besluit de lichamelijk uitgeputte filosoof met de verrassend levenslustige God mee te gaan naar het licht, waar zovele bekenden hem reikhalzend op staan te wachten.Wellicht was Nietzsche toch niet zo waanzinnig als anderen – de hem meest naasten voorop – probeerden te doen voorkomen! Wie zal het zeggen? U? Ik niet, want hij leeft in mij voort -.
ISBN nummer: 978 90 78905 27 1.

Recensies

Recensie van Marcel Hofman over Nietzsches Afrekening

Nietzsches afrekening: een verzoening met God?

In tien dagen van koortsachtig schrijven had Nietzsche iets op papier gezet dat later een van zijn bekendste boeken zou worden ‘Aldus sprak Zarathoestra’. Op 1 februari 1883 schreef Nietzsche naar aanleiding hiervan in een brief aan zijn vriend Franz Overbeck, “dat hij met zijn beste boek een beslissende stap had genomen, waarvoor hij lange tijd de moed niet had kunnen vinden.” Diezelfde dag nog schreef hij aan zijn andere vriend Köselitz: “Van nu af aan zal men mij in Duitsland onder de gekken rekenen. Het boek staat vol met preken over moraal.”

Twee weken later schreef Nietzsche aan zijn uitgever dat hij een ‘nuttig’ boekje had geproduceerd, “Een poëtisch werk, een soort vijfde evangelie, een boek van een soort waarvoor men nog geen naam heeft. Het is het stoutmoedigste maar teven het meest begeesterende van al mijn werken, en voor iedereen te begrijpen.” Die laatste opmerking moet men met een korrel zout nemen: het was behalve een gewiekste marketingzet, ook de wens als vader van de gedachte die hier tot uiting kwam. Immers hoe weinig was hij bekend met de wereld van kruideniers en hun spoorboekjes.

Toen Nietzsche dus schreef ‘dat ze hem in Duitsland voor gek zouden verklaren’, had hij in zijn meest vermetele dromen niet kunnen vermoeden hoe dicht hij met die uitspraak de werkelijkheid op de huid zat. (Want) natuurlijk lag het voor de hand dat hij die ‘God voor dood had verklaard’ door anderen beschouwd zou worden als iemand die ‘helemaal van God los was’. De frase God is dood bleek een geheel eigen leven te gaan leiden.

De uitgever die vlak voor Pasen druk doende was met een ongekend grote oplage van een half miljoen christelijke gezangenboeken die van de pers kwam rollen, zag tot zijn grote schrik diezelfde frase op pagina drie van het manuscript, en werd door grote huivering bevangen. De druk ervan werd uitgesteld en pas een half jaar later, toen het tweede deel af was, verscheen deel 1 in een oplage van duizend boeken. Het jaar erop kreeg Nietzsche van de uitgeverij een bericht dat er nog geen honderd exemplaren van waren verkocht.

Ook nu staan we vlak voor het paasfeest en toeval of niet, de auteur Ron Appeldoorn knoopt met zijn boek ‘Nietzsches afrekening’ aan bij de discussie die velen sinds lange tijd heeft beziggehouden: Viel Nietzsche ten prooi aan krankzinnigheid? Sommigen weten het zeker en denken dat het onvermijdelijk was, dat zoals zij dit schampertjes formuleren ‘Nietzsches ongekende hoogmoed wel voor de val moest komen’, anderen daarentegen behouden hun gerede twijfel of Nietzsche eigenlijk wel het slachtoffer is geworden van zijn eigen hoogmoed!

De apostel Paulus zegt, ‘dat de mens zonder God in zijn verstand verduisterd raakt’. Nietzsche geeft zowel door zijn excentrieke manier van leven alsmede vanuit zijn werken te kennen, dat de volle consequentie van een leven zonder God grenst aan krankzinnigheid. Maar is hij daarmee zelf een krankzinnige? Christenen, vooral in zijn tijd, zouden dit maar al te graag doen geloven. En ook nu zijn er nog veel mensen die zich reddeloos en redeloos verloren wanen wanneer ze hun geloof in (de filosofische) God, niet als kapstok kunnen gebruiken om er hun eigen noodlot, hun hoop, geloof en liefde als persoonlijke troost aan op te kunnen hangen.

Op welke manier je het ook bekijkt, en vanuit welke perspectieven ook geprobeerd wordt orde in de eeuwige chaos van schijn en werkelijkheid te scheppen, de vraag of Nietzsche de waanzin over zichzelf heeft afgeroepen, blijft de gemoederen bezighouden. Ofwel mensen kiezen voor de al te makkelijke optie van geestelijke ineenstorting, ofwel zij proberen met een groot inlevingsvermogen aan te tonen dat die verklaring nog steeds voor heel verschillende uitleg vatbaar blijft. Curieus genoeg kan deze kwestie op zich al worden beschouwd als een herhaling van zetten. Of in de termen van Nietzsche: ‘de eeuwige herhaling van hetzelfde’.

Hoe dan ook, de auteur van ‘Nietzsches afrekening’ werpt een geheel ander en vooral verrassend nieuw licht op deze kennelijke patstelling. In zeer vermakelijke en niet van zelfspot gespeende tweegesprekken met God voert hij Nietzsche op als een hyperintelligent, emotioneel en helder denker, die als ziener ontegenzeggelijk zag wat komen ging. In de vaak hilarische beschrijvingen van hoe hij zich die tweegesprekken voorstelt tussen Nietzsche en God, maar ook met veel van zijn verstorven vrienden en vermeende vijanden, begeeft Appeldoorn zich bijna letterlijk in hogere regionen.

Met zijn korte en bondige verhalen kruipt hij als het ware in de huid van al die personages en juist die stijlvorm zorgt er voor dat er uiteindelijk een beeld ontstaat, dat soms niet alleen van Nietzsche en diens ontmoetingen met vele hemelgenoten, maar zelfs van God een mens van vlees en bloed maakt. Bij allen slaat de wanhoop soms toe om vervolgens weer om te slaan in ogenblikken van intense vreugde.

Wie het boek eenmaal heeft gelezen, kijkt met heel andere ogen naar de laatste dagen van Nietzsche, en kan niet langer meer een glimlach onderdrukken wanneer hij zichzelf nog eens de woorden van de Nietzsche in Turijn voor de geest haalt. Vermomd als de Messias begeeft hij zich onder de mensen, slaat bemoedigend zijn arm om hun schouders en fluistert ze in het oor: “Weest gerust, Gods wonderen zijn de wereld nog niet uit, en ook uw God is feitelijk nog een karikatuur. Desondanks dank ik de hemel op mijn blote knieën voor de oude wereld, waarvoor de mensen niet eenvoudig en stil genoeg zijn geweest.”